2017 - Volume 65

April
January

2016 - Volume 64

October
July
April
January

2015 - Volume 63

October
July
April
January
Home arrow Archives Index arrow July 2000 arrow July 2000 - Dutch
July 2000 - Dutch PDF Print E-mail


The International Journal of Clinical and Experimental Hypnosis
Volume 48, Number 3 - July 2000 - Dutch
Special Issue: Epirical Validation of Hypnotic Interventions

 

De invloed van post-hypnostische amnesie en gericht vergeten op het impliciet en expliciet geheugen. Nieuwe inzichten gebaseerd op een gewijzigde proces dissociatie procedure.
Daniel David, Richard Brown, Pojogo Cristina en Alin David.

De auteurs beschrijven een studie waarin het verband wordt onderzocht tussen posthypnotische amnesie ( PHA) en gericht vergeten (DF), en hun invloed op het impliciet en expliciet geheugen. In de studie wordt een recent gewijzigde proces dissociatie procedure gebruikt waardoor kruiscontaminatie van prestaties op geheugentesten door impliciete en expliciete geheugenfactoren wordt ge‘limineerd. 40 hoog en 40 laag-hypnotisch gevoelige deelnemers werden vergeleken in de PHA, DF, en controlecondities op waarden van willekeurig bewuste (VCM), onwillekeurig bewuste (ICM) en onwillekeurig onbewuste (IUM) geheugenprestaties. Beide groepen toonden een significante vermindering in de willekeurig bewuste en in de onwillekeurig bewuste conditie na instructies voor gericht vergeten, terwijl enkel de hoog hypnotiseerbare deze vermindering toonden in de posthypnotische amnesie conditie; noch gericht vergeten, noch post-hypnotische amnesie had invloed op het onwillekeurig onbewuste geheugen. Bovendien was er geen verband tussen vergeten in de posthypnotische amnesie en in de gericht vergeten conditie. Alhoewel zowel PHA als DF de bewuste (expliciete) uiting van geheugeninformatie schijnt te voorkomen, en het impliciet geheugen intact laat, kunnen de mechanismen die aan de basis van deze fenomenen liggen evenwel verschillen.

 

Verwachtingen van therapieresultaten en hypnotische gevoeligheid als moderators van pijnvermindering bij pati‘nten met chronische spanningshoofdpijn.
Philip Spinhoven en Moniek M. ter Kuile.

Het doel van deze studie was om te bepalen of hypnotische gevoeligheid (a) pijnreductie na de therapie en bij follow-up voorspelt, onafhankelijk van de generische verwachtingen van het therapieresultaat en van de aard van de therapie, en (b) een blijvende pijnvermindering gedurende de follow-up periode voorspelt. Bij 169 pati‘nten met chronische spanningshoofdpijn die willekeurig werden verwezen naar zelfhypnose of autogene training was de pijnvermindering na de therapie en bij follow-up significant geassocieerd met hypnotische gevoeligheid onafhankelijk van de generische verwachtingen van het therapieresultaat en van de aard van de therapie. Bovendien vond men dat vroege responders significant hogere hypnotiseerbaarheidsscores hadden dan de non-responders, hoewel er geen significant verschil in hypnotiseerbaarheid was tussen late responders en vroege en non-responders. Nochthans bleek bijna 1/4 van de non-responders bij het einde van de therapie, bij follow-up wel positief te reageren.

 

Hypnotiseerbaarheid en absorptie in een deense onderzoeksgroep. Onderzoek naar de invloed van de context.
Robert Zachariae, Michael Martini Jorgensen, Soren Christensen.

In deze studie wordt de validiteit van de deense vertaling van de Tellegen Absorptie Schaal (TAS) getest door het verband te onderzoeken tussen scores op de TAS en op de vroeger gevalideerd deense vertaling van de Harvard Groep Schaal van Hypnotische Gevoeligheid (HGSHS:A) bij een onderzoeksgroep van 168 deelnemers. De gemiddelde scores op de TAS en op de HGSHS:A waren vergelijkbaar met deze die gevonden werden bij groepen in de VS. Het verband tussen absorptie en hypnotiseerbaarheid werd berekend uit scores uit dezelfde sessie (N=84) en voor scores die los daarvan werden bekomen in twee sessies met 2 en 12 maanden tijdsverschil (N=84). Resultaten tonen een significant verband tussen absorptie en hypnotiseerbaarheid wanneer absorptie in een hypnotische context werd gemeten. Er werd ook een significant verband gevonden wanneer absorptie en hypnotiseerbaarheid afzonderlijk werden gemeten. De bevindingen ondersteunen de construct validiteit van de deense vertaling van de TAS en bevestigen opnieuw de resultaten van vroegere studies welke vooropstellen dat absorptie een belangrijke voorspeller is van hypnotiseerbaarheid.

 

Italiaanse normen voor de Stanford Hypnotische Gevoeligheidsschaal, model C.(SHSS:C)
Vilfredo De Pascalis, Anna Bellusci en Paolo Maria Russo.

In dit verslag worden de normen voor een Italiaanse vertaling van de Stanford Hypnotische Gevoeligheidsschaal, model C.(SHSS:C Weitzenhoffer & Hilgard 1962) besproken. De gegevens over proefpersonen welke bij research in verband met hypnose waren betrokken, werden uit een archief gehaald; resultaat werd een onderzoeksgroep van 356 deelnemers (263 vrouwen en 93 mannen) over een periode van 10 jaar. Score distributie, moeilijkheidsgraad van items en betrouwbaarheid van de SHSS:C werd ingebracht in de computer. Uit deze onderzoeksgroep legden 218 deelnemers de Harvard Groepsschaal voor Hypnotische Gevoeligheid (HGSHS:A) af, ongeveer 3 weken voor de SHSS:C. De overige 138 deelnemers legden enkel de SHSS:C af. Het resultaat toont dat de Italiaanse versie van de SHSS:C een betrouwbare en valiede meting is.

 

Psychodynamische behandeling van oorlogsneurosen (PTSD) met hypnose tijdens wereldoorlog II.
John D. Watkins.

In een groot legerhospitaal werd tijdens WOII een voltijds programma in hypnotherapie voor oorlogstrauma slachtoffers ontwikkeld. Symptomen omvatten hevige angst, fobie‘n, conversie, hysterie en dissociatie. Er werden veel hypnoanalytische technieken gebruikt, in het bijzonder ook het afreageren. Er werden goede therapieresultaten behaald, zoals in typische gevallen werd aangetoond. Er waren geen aanwijzingen dat de afreageermethoden de pati‘nten zouden hertraumatiseren of psychotische reacties zouden initi‘ren.

 
trymax курсы английского языка в москве