2017 - Volume 65

April
January

2016 - Volume 64

October
July
April
January

2015 - Volume 63

October
July
April
January
Home arrow Archives Index arrow January 1999 arrow January 1999 - Dutch
January 1999 - Dutch PDF Print E-mail


The International Journal of Clinical and Experimental Hypnosis
Volume 47, Number 1 - January 1999 - Dutch

 

Corticale Event-Related Potentials tonen de cruciale invloed van de structuur van de hypnotische suggesties.
Arreed Barabasz, Marianne Barabasz, Stacia Jensen, Steven Calvin, Michael Trevisan en Dennis Wamer.

Samenvatting: Elektro-encephalographische corticale event-related potentials (ERPs) worden be•nvloed door informatieverwerkingsstrategie‘n en zijn bijzonder geschikt voor het onderzoek van perceptieveranderingen bij hypnose. Het effect van positieve en negatieve hallucinatie instructies op visuele en auditieve P300 ERPs werd onderzocht. Twintig deelnemers, die strict geselecteerd werden op hypnotiseerbaarheid kregen als opdracht een identieke taak uit te voeren in waaktoestand en in alerte hypnotische toestand. Hoog hypnotiseerbaren vertoonden hogere ERP amplitudo's terwijl ze negatieve hallucinaties beleefden en lagere ERP amplitudo's terwijl ze positieve hallucinaties beleefden, in tegenstelling tot laag-hypnotiseerbaren en enkel hun eigen imaginatie in waaktoestand. Deze gegevens tonen, dat wanneer deelnemers zorgvuldig geselecteerd worden op hypnotiseerbaarheid, en wanneer de gemeten responsen in tijd samenvallen met de stimuli, er eerder duidelijke fysiologische parameters van hypnose zichtbaar worden, die veranderingen in het bewustzijn reflecteren, welke overeenstemmen met de subjectieve ervaringen van de perceptieverandering van de deelnemers. Indien rekening wordt gehouden met het type suggesties, vindt men een merkwaardige consistentie in de resultaten bij 10-tallen onderzoekers.

 

Veranderingen meten in de subjectieve ervaring van hypnose.
Kevin M. McConkey, Vanessa Wende, en Amanda J. Barnier.

Samenvatting: We indexeerden de subjectieve ervaring van hypnose door continue gedragsmetingen van de intensiteit van de ervaring van de deelnemer op het tijdstip van de suggestie. Meer bepaald draaiden de deelnemers een kiesschijf om veranderingen in hun ervaring van het gesuggereerde effect weer te geven, terwijl een bepaalde ervaring aanwezig was; We vroegen 33 hoog-, 47 middelmatig- en 28 laag-hypnotiseerbare proefpersonen om de kiesschijf te gebruiken tijdens 3 fasen (suggestie-, test- en ongedaan maken van de suggestie) van 3 hypnotische items : armlevitatie, armrigiditeit en anosmie of geurverlies. Het scorepatroon verschilt volgens de aard van de suggesties. Voor de verschillende items, rapporteren subjecten die erin slaagden een bepaalde gedragsrespons te vertonen ook een sterkere ervaring van het gesuggereerde effect, dan degene die geen gedragsrespons gaven. Merkwaardig is, dat terwijl de scores van hoog- en middelmatig-hypnotiseerbaren op geen van de 3 items verschilden, ze wel verschillen van laag-hypnotiseerbaren op alle 3 de items. We bespreken de implicaties van deze bevindingen in verband met de mogelijkheid van deze methode om inzicht te krijgen in de ervaring van hypnose.

 

Verwachting en suggestibiliteit. Zijn de effecten van bevorderlijke omgevingsfaktoren te wijten aan detectie ?
Irving Kirsch, Cynthia Wickless, en Kathie H. Moffitt.

Samenvatting: In deze studie wordt het effect van Wickless en Kirsch (1989) manipulatie van te verwachten ervaringen, waarbij verborgen lichten en muziek uit verborgen bronnen werd gebruikt, om deelnemers ervan te overtuigen dat ze succesvol reageerden op suggesties voor visuele en auditieve hallucinaties, opnieuw onderzocht. De hypothese dat het effect gemedieerd werd door de detectie van de manipulatie, werd onderzocht door aan sommige deelnemers te laten doorschemeren dat hun ervaringen te wijten waren aan actuele veranderingen in de fysische omgeving, eerder dan aan hun respons op suggesties. De hypothese werd niet bevestigd. Een significant effect op de suggestibiliteit werd enkel bekomen bij deelnemers die geen hints hadden gekregen waarmee ze tot de detectie van de manipulatie hadden kunnen komen, en bij degene die wel hints hadden gekregen was de verdenking op manipulatie negatief gecorreleerd met de respons op suggestie.

 

Posthypnotische amnesie voor informatie die geleerd werd v——r hypnose.
Richard A. Bryant, Amanda J. Barnier, David Mallard, en Rachel Tibbits.

Samenvatting: De invloed van suggesties voor posthypnotische amnesie voor informatie die geleerd werd v——r of tijdens hypnose, werd onderzocht in twee experimenten. In experiment 1, leerden zeer hoog-, hoog- en laag-hypnotiseerbare deelnemers een woordenlijst v——r of onmiddellijk na een hypnotische inductie. Tijdens de hypnose, kregen deelnemers een suggestie voor posthypnotische amnesie voor de woordenlijst. Na de hypnose werden ze onderzocht op herinnering, en herkenning van woordfragmenten en van woorden. Experiment 2 was een herhaling en uitbreiding van experiment 1, door toepassing van het re‘el-simulatie paradigma. In de twee experimenten was er geen verschil in de prestaties tussen de deelnemers die de woordenlijst v——r of tijdens de hypnose hadden geleerd. Hoewel amnesie op directe geheugenmetingen geassocieerd was met hoge hypnotiseerbaarheid (experiment 1), kon een verklaring gebaseerd op de kenmerkende eisen van de testsituatie niet uitgesloten worden. De implicaties van deze bevindingen voor het gebruik van posthypnotische amnesie, als analoog in het labo voor stoornissen in het autobiografisch geheugen wordt bediscussieerd.

 

Intentionele en spontane imaginatie in hypnose. De fenomenologie van hypnotische responsen.
Gail Corney en Irving Kirsch.

Samenvatting: Studenten kregen ЋЋn van de twee versies van de Carleton University Responsiveness to Suggestion Scale (CURSS); a) de originele versie die instructies bevat om zich intentioneel, doel-gerichte fantasie‘n voor te stellen, en b) een aangepaste versie, waarin instructies voor gesuggereerde voorstellingen werden verwijderd. Er werd aan de deelnemers gevraagd om hun doelgerichte fantasie‘n te rapporteren, en om aan te duiden of deze spontaan waren opgekomen, of intentioneel waren opgeroepen. Er werd hen ook gevraagd of ze intentioneel hadden geprobeerd om de gesuggereerde ervaring op te roepen, en om aan te geven of ze geloofd hadden dat de gesuggereerde zaken echt waren (vb. of ze gedacht hadden dat de gehallucineerde kat echt bestond). Het weglaten van de instructies voor doelgerichte fantasie‘n gaf een significante toename van de responsiviteit op de CURSS suggesties. Spontane doelgerichte fantasie was significant gecorreleerd met gedragsresponsen, maar intentionele voorstellingen waren dat niet. De meeste succesvolle responders probeerden de gesuggereerde ervaringen intentioneel op te roepen, gaven aan dat ze weerstand hadden kunnen bieden tegen de uitdagingssuggesties als ze dat gewild hadden, en meldden dat ze in de realiteit van de gesuggereerde ideomotorische en uitdagingservaringen hadden geloofd, maar niet in de cognitieve suggesties. Willekeurige pogingen om de gesuggereerde ervaringen te bereiken, waren gecorreleerd met subjectieve responsen.

 
trymax курсы английского языка в москве