2017 - Volume 65

April
January

2016 - Volume 64

October
July
April
January

2015 - Volume 63

October
July
April
January
Home arrow Archives Index arrow July 2005 arrow July 2005 - Dutch
July 2005 - Dutch PDF Print E-mail

 

The International Journal of Clinical and Experimental Hypnosis
Volume 53, Number 3 - July 2005 - Dutch
Dr. N. Ruysschaert

 

Aandacht en Hypnose: neurale substraten en genetische associaties van twee convergerende processen.
Raz Amir

Alhoewel aandacht een centraal thema is in psychologische wetenschappen, integreren hypnose onderzoekers zelden de bevindingen uit aandachtsonderzoek in hun werk. Zoals het geval is met andere biologische systemen, heeft aandacht een afzonderlijke anatomie die basale psychologische functies uitvoert. Specifieke hersenletsels, toestanden en geneesmiddelen kunnen aandachtsnetwerken beïnvloeden. Onderzoek van deze netwerken met behulp van moderne neuroimaginatie technieken heeft belangrijke mechanismen die betrokken zijn bij aandacht onthuld. In het tijdperk van genomen, kunnen genetische benaderingen deze neuroimaginatie technieken aanvullen. Naarmate genotypering een betaalbaar en technisch haalbare aanvulling wordt op fenotypering, geven genetische analyses bij onderzoeken inzicht in de genetische basis van aandacht en hypnotiseerbaarheid. In deze paper worden relevante aspecten van aandachtsmechanismen en hun onderliggende anatomie besproken, in zover ze verband hebben met hypnose. Met nadruk op gegevens uit aandachtsnetwerken, neuroimaginatie en genetica, zouden deze gegevens de individuele verschillen in hypnotiseerbaarheid en neurale systemen die hypnose bevorderen helpen verklaren.

 

Evolutie : de 2003 APA Divisie 30 Definitie van Hypnose.
Joseph P. Green, Arreed F. Barabasz, Deirdre Barrett en Guy H. Montgomery

Dit artikel beschrijft de rationale en het ontwikkelingsproces van een nieuwe definitie van hypnose door de vereniging van psychologische hypnose divisie 30 van de American Psychological Association. Zowel theoretische als practische implicaties leidden tot het ontwikkelen van de definitie, die zowal clinici als onderzoekers en leken wil informeren. De definitie wordt voorgesteld bij de conclusie van het artikel.

 

Het belang van eerlijkheid bij het ontwerpen van definities: wetenschap en wetenschappelijkheid zijn niet hetzelfde.
Michael R. Nash

De definitie van hypnose door de APA divisie 30 is lovenswaardig in bepaalde aspecten. Het committee definieert bijvoorbeeld terecht de ‘inductie’ als niets meer of minder dan de eerste suggestie na de inleiding. Nochtans struikelt de definitie over een gebrek aan standpunt rond het al of niet gebruik van het woord hypnose tijdens de procedure. De dubbelzinnigheid nodigt uit tot research ontwerpen die vooraf een hypnotische en een controle groep definiëren volgens het al of niet gebruiken van het woord hypnose in het protocol. Deze ontwerpen getuigen van een terugval naar naïef operationalisme. Ze onthullen weinig nieuws over de menselijke aard of hypnose. Het veld heeft recht op een optimale heuristische definitie die het pluralisme bewaart en vrij resistent is tegen het teflon omhulsel van een preventieve definitie. We hebben een definitie nodig die de onvolledigheid van onze concepten erkent, een niveau van epistemologisch speelveld laat ontstaan, en onze theorieën in staat stelt om het te “halen”.

 

Voorkeuren voor beschrijvingen van hypnose: een korte communicatie.
Ciara C. Christensen.

In de hedendaagse literatuur verschijnen alternatieve beschrijvingen van de mogelijkheid om hypnose te ervaren, bedoeld om hetzelfde fenomeen te beschrijven. Er werd een overzicht gemaakt van publicaties door leden van de Society for Clinical and Experimental Hypnosis (SCEH) om hun voorkeuren te bepalen. De termen werden empirisch afgeleid van recente artikels uit het IJCEH tijdschrift en input van het bestuur committee van de SCEH. Deelnemers gaven ook hun belangrijkste theoretische concept van hypnose. Hypnotiseerbaarheid werd bijna 4 maal zo vaak gekozen, dan de volgende favoriete keuze voorkeur (gevoeligheid), als indicator van hypnotisch talent. Hypnose als “identificeerbare toestand” werd 4 maal meer gekozen dan de socio-cognitieve versie. Deze laatste bevinding laat vermoeden dat de verder gaande betwistbaarheid van hypnose als primordiaal een toestand, nog slechts door enkelen wordt verder gezet.

 

Behandeling van psychologische problemen in medische settings. Eerstelijnszorg als het de facto geestelijke gezondheidszorgssysteem en de rol van hypnose.
Rodger Kessler

Psychische comorbiditeit van medische aandoeningen heeft een samenhang met een zwakke gezondheidsstatus, gecompliceerd medisch management, meer gebruik en hogere kosten van de medische dienstverlening. Hypnose beoefenaars in gespecialiseerde psychologische en psychiatrische behandelingssettings behandelen zelden deze patiënten omdat er meer kans is dat de psychologische problemen van deze patiënten enkel in de eerstelijns medische gezondheidszorg worden behandeld. Verwijzing van patiënten uit de eerstelijns zorg naar het geestelijk gezondheidszorg systeem geeft waarschijnlijk weinig kans dat de patiënt een psychologische of hypnose behandeling start. Geïntegreerd aanbod van medische en psychologische behandeling in het medisch kabinet blijkt veel meer kans te bieden op het starten van een behandeling en betere resultaten op medisch vlak. Alhoewel bewezen is dat hypnose een empirisch effectieve behandeling is voor talrijke medische problemen, hebben patiënten geen toegang tot effectieve hypnotische behandelingen als co-behandeling voor medische problemen indien hypnose behandelaars geen praktijk uitoefenen in medische settings.

 

Harvard groep schaal voor hypnotische gevoeligheid: accuraatheid van zelf-rapportage en geheugen voor items.
Jarred Younger, David D. Kemmerer, Justin D. Winkel, en Michael R. Nash

Waar vroegere studies matige overeenkomst vonden tussen eigen scores en scores gemaakt door observators op de harvard groep schaal voor hypnotische gevoeligheid, vorm A (HGSHS:A), delen deze studies een gemeenschappelijke gegeven, in het feit dat deelnemers bewust waren dat ze rechtstreeks geobserveerd werden. In de huidige studie maakten medewerkers observaties van de hypnotische responsen van groepsdeelnemers. Na de hypnotische procedure gaven deelnemers aan of ze al of niet elk item herinnerden en gaven zelfrapportages van hun hypnotische respons. De studie meet de accuraatheid van de zelfrapportage van de deelnemers voor de hypnose items, zonder dat de individuën er zich bewust van waren dat ze geobserveerd werden. 32 % van de deelnemers faalden in het herkennen van minstens één item van de hypnose sessie, wat laat vermoeden dat het onvermogen tot herinneren een veel voorkomend fenomeen is. Wanneer deelnemers meldden dat ze een bepaald item niet herinnerden, was de accuraatheid van hun zelfrapportage antwoord niet beter dan volgens toeval.

 

Mexicaanse normen van de Stanford Hypnotische Gevoeligheidsschaal, vorm C
Omar Sánchez-Armáss en Arreed F. Barabasz.

Normatieve data voor de Mexicaanse aanpassing van de Stanford Hypnotische Gevoeligheidsschaal, vorm C(SHSS:C) worden voorgesteld. Zeventwintig scoorders namen de schaal af bij 513 Mexicaanse vrijwilligers. Score verdeling, item analyse en betrouwbaarheid van de SHSS:C worden voorgesteld en vergeleken met andere internationale normerende studies. De resultaten tonen dat de Mexicaanse aanpassing van de SHSS:C psychometrische eigenschappen heeft die essentieel vergelijkbaar zijn met deze van de nederlandse, duitse, italiaanse referentie steekproeven, en met deze van de USA. Nochtans laat de verhoogde gemiddelde uitslag vermoeden dat Mexicanen een verhoogde vaardigheid tot hypnotisch gedrag kunnen hebben, zodat ze bijzonder goede kandidaten voor hypnotherapeutische interventies zouden zijn, die de aanwezige gezondheidsopties die momenteel beschikbaar zijn kunnen verbeteren.

 
trymax курсы английского языка в москве